De bloementuin

De bloementuin

Ze ziet de man in de oude poort verschijnen, hoe hij even een hand over de brokkelige bakstenen van de tuinmuur laat wandelen, de korstmossen inspecteert, de minuscule varens, het kruid. Zo komt hij in de bloementuin. Haar bloementuin.

‘Dag,’ zegt ze en ze stelt zich voor.

‘Ik kom eens kijken,’ zegt hij, en heft zijn hoed even op.

Het is een zonnige dag, in de tuin hangt de geur van munt en lavendel, hoog in de appelboom zingt een merel.

Ze toont hem het perk met nachtblauwe viooltjes. Hoe het lijkt of ze de bijen willen zoenen, dat ene bloemblad als een onderlip, de geel bestofte meeldraden die zich gewillig vooroverbuigen wanneer je erop drukt, en hoe diep in de kelk de nectar verborgen zit.

‘Dat is geen zoenen,’ zegt hij, ‘dat is tongen.’

Ze lacht.

De begonia laat ze hem zien, de rozenstruik, de oleander.

‘Hier ben ik gelukkig,’ zegt ze. Ze geeft hem een tros witte aalbessen.

Ze lopen het grindpad af.

‘Die plant heeft dringend water nodig,’ zegt hij wanneer ze voor haar kleine huis staan.

‘Altijd weer die braamstruik. Dorstig kreng.’

Ze haalt de gieter.

‘Eerst heeft hij dorst,’ zegt ze, ‘dan te veel water, dan te weinig licht omdat de klimop er overheen groeit, dan te veel licht, dan heeft hij schimmel, dan moet hij weer extra mest, of een kleine snoeibeurt.’

‘Gelukkig zijn braambessen lekker,’ zegt hij.

‘Deze draagt geen bessen.’

Ze duikt met de gieter de gigantische braamstruik in. Steeds weer moet ze ermee vechten, hij valt aan met venijnige doornen die zij probeer te ontwijken, aanval en verdediging. Maar ze is een makkelijk slachtoffer, te week is ze, te zacht. Ze voelt het prikken, het krassen, het grijpen van de takken.

Een hele tijd later komt ze uit de struik gekropen. Hij helpt haar weer het pad op, haakt braamtakken los, plukt een doorn uit haar duim.

Ze nodigt hem uit voor een glas limonade in haar huis.

Hij zet zijn hoed af en gaat aan de tafel zitten.

‘Het is hier donker,’ zegt hij.

‘Dat komt door de braam en de klimop.’ Ze wijst hoe de ramen volledig overgroeid zijn, hoe sommige takken zich door spleten en kieren naar binnen gewrongen hebben.

‘De klimop?’ vraagt hij.

‘Zelfde verhaal als de braam. Gelukkig heeft hij geen doornen.’

‘En geen lekkere bessen.’

Ze lachen.

‘Kan je die planten niet wegsnoeien?’ vraagt hij.

‘Dat lukt niet. Hoe slap ze ook lijken, ze groeien razendsnel terug.’ Ze vertelt hem dat het de schuld is van de vorige tuinman. Dat hij zowel een braam als een framboos geplant had, maar dat al zijn zorgen naar de framboos gingen omdat hij die liever zag. De braam vraagt wat hij nooit gekregen heeft. Ze vertelt ook dat op een dag, de klimop bij de braam verschenen was. Ze had in het dagboek van haar voorganger gelezen hoe hij plannen had gehad om de klimop een andere plek te geven, weg bij de braam. Hij ging echter met pensioen voordat hij die plannen uit kon voeren. Toen kwam zij, wist zij veel. Nu zijn ze al te veel met elkaar verstrengeld, en met haar.

‘Jij niet,’ zegt hij. ‘Jij hebt benen, jij kan uit hun greep geraken.’ Hij drinkt zijn glas leeg en zegt dat hij eens moet opstappen. Hij neemt zijn hoed van de tafel.

Ze wandelt hem naar de poort.

‘Je moet tuinhandschoenen kopen,’ zegt hij.

Ze merkt dat ze steeds vaker in de serre zit.

Toen hij vertrokken was, heeft ze er een stoel gezet. Na enkele dagen stond er een tweede stoel, en een derde. Toen kwam de tafel, daarna de schommelstoel en het boekenrek.

In de serre is meer licht, het is er warmer, de limonade bruist er beter.

De braam en de klimop raken er niet, de afstand is te groot. Ze doen moeite, dat spreekt. Elke dag nieuwe uitlopers, lange flexibele takken die over het tuinpad kruipen. Zij knipt ze weg.

‘Dag,’ zegt ze.

‘Ik kom nog eens kijken,’ zegt hij, en heft zijn hoed even op.

Het is een zonnige dag, in de tuin hangt de geur van appelen.

Ze laat hem de pompoenen zien, zware oranje vruchten. ‘Van die dikke maak ik een monster, twee ogen en een mond. Dan een kaars erin.’

Ze toont hem de chrysanten, de gentianen, de zilverkaars.

‘Hier heb ik vandaag tulpen geplant,’ zegt ze.

Ze plukt hem een zoetzure appel met een rode wang.

Ze lopen het grindpad af.

‘De braam heeft weer water nodig,’ zegt hij.

‘Ik weet het, toch lijkt hij tegenwoordig minder veeleisend.’

Ze haalt de gieter en trekt tuinhandschoenen aan.

Ze duikt de braamstruik in, worstelt zich erdoor. Zijn takken reiken naar haar, ze houdt de meeste af.

Een tijd later komt ze uit de struik gekropen. Hij helpt haar weer het pad op, haakt een braamtak los.

Ze nodigt hem uit voor een glas limonade in de serre.

Hij zet zijn hoed af en gaat aan de tafel zitten.

‘Hier is veel licht,’ zegt hij en heft het glas. ‘De limonade bruist hier beter.’

‘Ik ben hier graag,’ zegt ze.

‘Bij de knollen en de kiemplantjes.’

‘Zo voel ik me ook: een kiemplantje. Geen knol.’

Hij lacht.

‘En de braam en de klimop?’ vraagt hij.

‘Die raken hier niet.’

Hij drinkt zijn glas leeg en zegt dat hij eens moet opstappen. Hij neemt zijn hoed van de tafel.

Ze wandelt hem naar de poort.

Onderweg legt ze even een hand op zijn arm. ‘Kijk,’ zeg ze en wijst hem hoe diep rood de tuinmuur kleurt.

 


Luc

Eén gedachte over “ De bloementuin

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *