Natuurbegraafplaatsen, opgaan in de ecologische kringloop

Natuurbegraafplaatsen, opgaan in de ecologische kringloop

Onderzoekers willen funerair erfgoed koppelen aan toenemende vraag naar natuurbegraafplaatsen:

Wie wil er een laatste rustplaats naast Marcus Probius Burrus?

Uiteindelijk worden we allemaal opgelost door de tijd. Wat er op de aarde van ons achterblijft, bestaat voor het grootste gedeelte uit zuurstof, koolstof, waterstof, stikstof, calcium en fosfor. De vraag is op welke bestemming we deze laatste restanten willen achterlaten. Steeds meer mensen kiezen voor een natuurbegraafplaats. Archeologe Nandy Dolman en professor Marc De Bie van de Vrije Universiteit Brussel bieden een nieuwe insteek die de hang naar een natuurlijke omgeving verbindt met de diepe geschiedenis van onze streken.

Op een prille lentedag in 2018 banjert Vlaams minister Joke Schauvliege met een schop door een bos in Zoersel, in het zog gevolgd door enkele leden van het lokale schepencollege, ook allen met een schop in de hand. Het zou nog een paar dagen wachten zijn tot een anticycloon droge lucht uit het zuiden zou aanvoeren, de dag was dan ook kouwelijk begonnen en de minister had een warme winterjas aangetrokken.

Achter de stoet van notabelen loopt een medewerker die een jonge eik draagt. Deze boom krijgt de symbolische functie van herdenkingsboom toegewezen en zal door de minister en haar gevolg worden aangeplant tussen de hoog opgeschoten berken en naaldbomen.

Zoersel had dan ook een primeur te pakken. Hier, in de achtertuin van de villa die ooit had toebehoord aan actrice Yolande Markey, werd de allereerste natuurbegraafplaats van Vlaanderen in gebruik genomen.

In België is het sinds 2016 wettelijk mogelijk om crematie-assen op een openbaar terrein uit te strooien of in biologisch afbreekbare urnen te begraven. In Nederland is de praktijk al langer gemeengoed. Midden in de bossen op de Veluwe, worden er al sinds 1955 mensen begraven op Natuurbegraafplaats Westerwolde. Bij de noorderburen kunnen ook particulieren een begraafplaats beheren, in ons land ligt die bevoegdheid geheel bij de gemeenten. Een natuurplaats inrichten kan dus enkel binnen het openbaar domein, met toestemming van de betrokken gemeente en van Agentschap voor Natuur en Bos. De natuur in stand houden, ontwikkelen en beheren blijft de primaire functie van het gebied. Een lichaam begraven is vooralsnog niet mogelijk en er mag geen individuele grafmarkering worden aangebracht. Wel is er ruimte voor een gedenkzuil met naamplaatjes.

In Zoersel was de tijd aangebroken voor een fotomoment: de notabelen gebruiken hun schop om het wortelgestel van de jonge eik met aarde toe te dekken, hiermee wordt doorgaans het aanbreken van een nieuw begin verbeeld.

Op vijftig kilometer afstand van Zoersel en gescheiden door twee millennia geschiedenis, blaast de Gallo-Romeinse aristocraat Marcus Probius Burrus zijn laatste adem uit. Probius krijgt geheel volgens de funeraire mode van zijn tijd een grafmonument naast de heirbaan. De drie grafheuvels ten oosten van de stad Tienen zijn vandaag nog steeds zichtbaar. Historicus Robert Nouwen, auteur van het recente boek De Romeinse heerbaan1, schetst hoe de site er destijds mogelijk heeft uitgezien:

“Rond de tumuli had Marcus Probius Burrus een grafpark laten aanleggen, omgeven door een muur in mooi gekapte steen van Gobertange. Een poortje dat uitgaf op de heerbaan gaf toegang tot het grafpark. Prachtig aangelegde tuinen en grafparken die erg contrasteerden met de wilde natuur waren een typisch Romeins concept. De graftuin rond de tumuli van Grimde zelf was mooi verzorgd. Tuiniers hadden er afwisselend pruimenbomen en perelaars aangeplant. De bezoekers van het grafpark konden de vruchten van deze bomen vrij plukken en ze op het altaar voor de middelste heuvel offeren aan Manes, de goden van de onderwereld, en aan de overledene. Op de heuvels waren in concentrische cirkels afwisselend rozen- en jeneverbesstruiken aangeplant. Deze struiken moesten de grafheuvels beschermen tegen erosie en tegelijk het geheel verfraaien. Links en rechts van het altaar waren prachtige bloemperken met rozenstruiken en viooltjes aangelegd. De reizigers en voorbijgangers die het grafpark binnentraden konden op de zitbanken bij het altaar even verpozen en misschien mijmeren over de eindigheid van het leven.”

Er zijn aanwijzingen dat Marcus Probius Burrus een laatste rustplaats kreeg op een site die al heel lang in gebruik was, daterende uit de overgangsperiode tussen de late bronstijd en de vroege ijzertijd. Dat is niet ongewoon. Jasper Deconynck stelde zich in zijn dissertatie2 de vraag waarom Romeinse graven, al dan niet geïsoleerd, veelal gevonden worden op oudere prehistorische begraafplaatsen? Er was hier sprake van een traditie waarbij het gebruik van begraafplaatsen van de late prehistorie werd verdergezet door de Romeinen. Deconynck stelt vast dat graven en begraafplaatsen vaste waarden in het landschap waren en dat deze niet zomaar konden worden vernietigd: “De begraafplaatsen vervulden een belangrijke rol in het culturele landschap van deze periode dankzij herkenningsmiddelen maar vooral door hun specifieke plaats in het collectieve geheugen.” Hij vermoedt dat ook de vooroudercultus een rol heeft gespeeld en dat de vereringsplaats “speciale, heilige krachten” kreeg toegedicht: “De overledenen werden gezien als de eigenaar van de begraafplaats, niet de levenden. De overledenen kwam binnen in de club van de voorouders en zorgden voor de continuïteit van de familie. Zij waren de vaders en moeders van de levenden.”
Het gebruik van de begraafplaats in Tienen stopte niet bij de Gallo-Romeinse edelman. In de resten van de omheiningsgracht werd een graf ontdekt dat wordt gesitueerd in de laat Merovingische en de vroege Karolingische periode.

Archeologe Nandy Dolman en professor Marc De Bie van de Vrije Universiteit Brussel pleiten in een bijdrage voor het boek Memento Mori II: de begraafplaats in gesprek3 voor het reactiveren van de historische funeraire landschappen. Zij zien het als een kans om tot verbinding te komen met de lokale geschiedenis. De prehistorische traditie van urnenbegraving en asverstrooiing ligt in de lijn van het stijgend aantal crematies in Vlaanderen: in 2020 werd er bij 74 procent van de overlijdens gekozen voor deze vorm van lijkbezorging. Daarnaast is er ook de groeiende belangstelling voor natuurbegraafplaatsen, waarbij het voorstel van Dolman en De Bie een interessante aanvulling kan bieden. De huidige regelgeving rond natuurbegraafplaatsen laat enkel geanonimiseerde graven toe. Een generatie geleden was het nog de norm om het lichaam in een kist onder een zerk te begraven, met naam en toenaam, op het gemeentelijk kerkhof, het was als het ware een gemeenschap van al wat ooit geweest was. Hier lagen alle lagen van de bevolking samen in een dikwijls ommuurde en gecontroleerde omgeving met paden van rode kiezels waarlangs een getrimde haag liep. Een natuurbegraafplaats is geheel anders. Ken West, zeg maar de ideologische vader van het natuurlijk begraven, definieerde het begrip in zijn boek A Guide to Natural Burial4 als volgt: “Natuurlijk begraven is een term die wordt gebruikt om het begraven van menselijke resten te beschrijven, waarbij de begraafplaats een habitat creëert voor wilde dieren of een bestaande habitat die rijk is aan flora en fauna in stand houdt”. De mens, of de herinnering aan die mens is secundair: het graf is anoniem en gaat op in de natuur.

Dolman en De Bie bieden de overledene de kans om in een natuurlijke omgeving een laatste rustplaats te vinden, tegelijkertijd schaart de mens zich bij in de lange lijn van bewoners en gebruikers van een bepaald landschap. Op die manier verbinden de onderzoekers het menselijke verlangen om tot een gemeenschap of een streek te behoren met de groeiende vraag om na de dood op te gaan in de ecologische kringloop der dingen.
“Het is niet de bedoeling dat nog intacte grafheuvels gebruikt worden voor hedendaagse urnenbegraving,” antwoord Nandy Dolman op de vraag of ik een plaatsje naast Marcus Probius Burrus kan reserveren, “Het heuvellichaam en mogelijk bewaarde prehistorische begravingen in of onder de grafheuvel kunnen daardoor onherroepelijk beschadigd worden.”

Het zal wél mogelijk zijn om bijgeplaatst te worden in een gereconstrueerde grafheuvel. De archeologe geeft als voorbeeld de toekomstige natuurbegraafplaats in Drongen, waar de stad Gent een natuurbegraafplaats zal inrichten, aansluitend op de huidige begraafplaats: “Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat daar een grafheuvel heeft gelegen. Deze werd ondertussen gereconstrueerd en zal worden hergebruikt voor hedendaagse urnenbegraving.”
Dolman vreest een wildgroei van grafheuvels die lukraak worden opgericht: “Als je funerair erfgoed weer in de picture wilt zetten, moet dat gebeuren daar waar het funerair erfgoed ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Archeologisch onderzoek kan vandaag perfect grafheuvels terug lokaliseren.”

Ze benadrukt dat de bewaring en onderhoud van authentieke grafheuvels van cruciaal belang is om deze te incorporeren in een natuurbegraafplaats: “Rechtstreeks hergebruik van de grafheuvel voor hedendaagse urnenbegraving is dan niet mogelijk, maar men kan bijvoorbeeld wel in de buurt van de site een zone afbakenen, dat gevrijwaard is van archeologie, waar dan biodegradeerbare urnen begraven worden. In dat geval kan perfect door ontsluiting van de site een mooie link gemaakt worden naar het funerair erfgoed. We zijn onder andere in het Heverleebos aan het kijken of dat mogelijk gemaakt kan worden, waar sinds enige tijd het prachtige Monarkengraf en een ringwalheuvel zijn ontsloten. Een archeologievrije zone vinden is daarbij wel een uitdaging, aangezien naast grafheuvels ook ander funerair erfgoed verwacht kan worden, zoals urnenvelden, en dient er rekening gehouden te worden met ander erfgoed dat niet per se een funeraire context kent zoals vroegere of latere nederzettingen en historische wegennetwerken.”
Een archeologische natuurbegraafplaats inrichten is altijd erg situatieafhankelijk, aldus Dolman en bijkomend onderzoek is een must: “Wanneer dat correct en met een authentieke visie op ons funerair erfgoed verloopt, zal het zowel een opwaardering betekenen voor het funerair erfgoed als voor de hedendaagse natuurbegraafplaats die daarop aansluit.”

In Zoersel schudt minister Schauvliege nog snel enkele handen alvorens ze zich naar haar dienstwagen rept. Ze vraagt haar chauffeur om de verwarming op volle kracht te zetten omdat haar voeten “stijf bevroren” zijn. Wanneer de wagen zijn tocht richting hoofdstad aanvat, wordt ze even bevangen door het gevoel dat ze vastzit in een doodskist van metaal. Ze grijpt naar de tas die naast haar op de achterbank ligt en trekt er een kartonnen map uit. Een dossier voor onderweg.

Nawoord

Markante vaststelling bij het schrijven van deze tekst: er is geen enkel onderzoek te vinden waarbij men peilt naar het waarom van de groeiende belangstelling voor natuurbegraafplaatsen. Er voltrekt zich een belangrijke culturele omslag vlak onder onze neus, en we weten eigenlijk weinig tot niets over de beweegredenen. Het is immers geen minieme verandering in het denken. Valt er binnen Aardewerk hierover iets op te zetten om dit te onderzoeken?

Dries Everaerts

Natuurbegraafplaatsen

Amélie Verleene Bachelorproef journalistiek (2014-2015) Artevelde Hogeschool. Groene begrafenis in Vlaanderen: keuze of leuze? Ecologisch begraven in een land dat er nog niet klaar voor is.

https://bapecologischbegraven.files.wordpress.com/2015/06/bap-ecologisch-begraven-def.pdf

 

1 De Romeinse heerbaan: De oudste weg door de Lage Landen, Robert Nouwen, 2021, uitgeverij Sterck & de Vreese. Citaat afkomstig van de website www.robertnouwen.be, met toestemming van de auteur.
2 Deconynck Jasper, 2008, Het Gallo-Romeins brandrestengraf in het zandige deel van Civitas Menapiorum: een vergelijkend onderzoek naar 13 grafvelden, Universiteit Gent
3 Memento Mori II. De begraafplaats in gesprek, onder redactie van Tamara Ingels en Lieve Destoop, 2021, uitgeverij ASP
4 A Guide to Natural Burial, Ken West, 2010, uitgeverij Sweet & Maxwell

Eén gedachte over “ Natuurbegraafplaatsen, opgaan in de ecologische kringloop

  1. Inderdaad getuigt het denken over dood en rituelen hierrond , van hoe we met Leven omgaan . Rom (+2019) zaliger was daar ook mee bezig en zijn insteek was: leg mijn lichaam maar tussen de composthoop, als voeding voor nieuwe gewassen, net zoals al de andere voedende ‘dode stoffen’. Hij was daarin zeer overtuigd dat dit het beste is wat we als mens kunnen doen. We zijn niet meer of minder dan stof en as…We vonden geen natuurbegraafplaats en ondertussen ‘prijkt’ hier bij mij een vergankelijke urne én zal er een deeltje as uitgestrooid worden, door boedistische monniken in het Himalayagebergte..(als reizen weer toegelaten is) De urne krijgt een plek in de tuin van zijn oudste dochter én kleinzoon, met wie Rom een speciale band ontwikkelde.
    Het kan een boeiend onderzoek worden wat jullie suggereren..

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *