De Olmendans

De Olmendans

“Al tientallen jaren introduceer ik de Olmendans van Joanna Macy binnen en buiten Aardewerk in talloze workshops, om steeds weer te ervaren hoezeer deze dans op een diepe en blijvende manier engageert. De vele mensen, die de afgelopen decennia programma’s bij Aardewerk hebben gevolgd, hebben kennis gemaakt met deze eenvoudige maar diep doorwerkende dans. Zowel tijdens  de zomerweken, die Aardewerk reeds meer dan dertig jaar organiseert, als tijdens de opleidingen ‘Ecologische Filosofie en Politiek’, vormt de Olmendans een sterk moment van  verbondenheid, van verstilling en intentionaliteit. Het moment waarop mensen elkaar de hand reiken, een cirkel vormen en samen dansen op de prachtige muziek laat een blijvende indruk na en staat symbool voor de weg die we als mensheid af te leggen hebben.

Hieronder volgt de vertaling van het verhaal dat Joanna Macy vertelt over het ontstaan en de verspreiding van de Olmendans.”

Er is een rondedans die we dansen in elke workshop en cursus die ik geef, of het nu over systeemtheorie, Boeddhisme of over diepe ecologie gaat. Wij doen dit om onze geesten te openen voor de wijde wereld waarin we leven en om onze intentie te versterken om bij te dragen aan de heling ervan. Telkens wanneer we de muziek opzetten en elkaars handen vastnemen, denk ik aan Novozybkov in de herfst van 1992.

Ons team van vier mensen – Fran en ik en twee Russische mannen – waren in Wit-Rusland en Oekraïne van de ene stad naar de andere gereisd, waar we workshops gaven aan mensen die leefden in gebieden die door de Chernobyl-ramp besmet waren. Tenslotte  kwamen we aan in Novozybkov , onze laatste stad – een landbouwstadje van 50.000 inwoners met wat lichte industrie op ongeveer 160 km ten oosten van Chernobyl in de Bryansk-streek in Rusland.

Op basis van onze jarenlange ervaring in het leiden van workshops rond wanhoop, kwamen we, zoals we aan de autoriteiten uitlegden, ‘psychologische hulpmiddelen aanbieden voor het omgaan met de gevolgen van zware collectieve trauma’s’. We hadden onze workshops als titel meegegeven: Een Sterke Post-Chernobyl Cultuur Opbouwen. De naam klonk aardig Sovjet-achtig, maar ik realiseerde me al gauw dat het woord “post” een vergissing was. “Dat suggereert dat de ramp voorbij is”, zei ik tegen Fran, “maar het is voor ons duidelijk dat die niet voorbij is. Hij blijft zichzelf in de tijd in vicieuze cirkels opstapelen via positieve feedbacklussen”. De radioactiviteit verspreidde zich nog altijd stilzwijgend door de wind, het water, het voedsel, zij creëerde nieuwe gifstoffen tijdens de vermenging met industriële vervuiling en verspreidde ziektes in lichamen die al door eerdere blootstellingen waren verzwakt. We begrepen al gauw dat onze workshops niet bedoeld waren om mensen te helpen herstellen van een catastrofe, maar eerder om te leren leven met een nog altijd voortdurende ramp.

Het was Harasch die erop aangedrongen had dat we naar Novozybkov zouden komen. Als Russische psycholoog werkzaam in Moskou was hij binnen een paar uur na het ongeluk naar Chernobyl gevlogen om de operatoren van de verdoemde reactor te ondersteunen. In de zes daaropvolgende jaren reisde hij naar steden in de hele regio om de overlevenden te helpen, en geen enkele daarvan had hem zo diep getroffen als deze stad en haar lot.

Op de treinreis oostwaarts van Minsk naar de Russische grens haalde hij zijn kaart tevoorschijn en vertelde ons nogmaals het verhaal. De brandende reactor was ten tijde van de ramp een vulkaan van radioactiviteit toen de wind naar het noordoosten draaide en de wolken met giftige rook meevoerde richting  Moskou. Teneinde de miljoenen mensen in dat metropoolgebied te redden werd een snelle beslissing genomen om de wolken te beschieten, waardoor zij in neerslag veranderden. Een voor eind april ongewoon hevige stortregen met intense concentraties radioactieve jodium, strontium, cesium en plutoniumdeeltjes zette de steden en velden en wouden van de Bryansk-regio, net over de Russische grens vanuit Chernobyl, onder water. De hoogste Geigerwaarden werden gemeten, en worden nog altijd gemeten, in en rond de landbouw-  en licht-industriële  stad Novozybkov. “De mensen daar werden niet geïnformeerd over de keuze van hun regering – wie wil er nu aan mensen vertellen dat zij opgegeven zijn, een vogel voor de kat? Tegenwoordig is het algemeen bekend dat de wolken beschoten werden, maar er wordt zelden over gepraat. En ook dat stilzwijgen maakt deel uit van de tragedie voor de mensen van Novozybkov.

 In een grote open ruimte van een school voor bijzonder onderwijs zaten vijftig inwoners van Novozybkov, vooral onderwijzers en ouders, vrouwen vooral, in een grote cirkel. Zij zaten, netjes, bijna formeel gekleed, rechtop met hun ogen strak gericht op de spreker, en zij stonden op als zij spraken, zoals hun kinderen in school rechtop staan als zij iets moeten voordragen.

Ik legde uit wat de aard en het doel was van het werk dat we kwamen doen, en was blij met de snelle en overtuigende vertalingen van Joeri. Als jonge arts en sociaal activist had hij in Moskou uitgebreid gebruik gemaakt van mijn boek, en hij had zijn eigen opvattingen over hoe mensen gevoelens van isolement en moedeloosheid kunnen overwinnen en hun levens weer op de rails kunnen krijgen. Om het Russisch in het Engels te vertalen zonder tijd te verliezen fluisterde Fran in mijn oor. Halverwege de ochtend was er al veel gezegd. Ik was blij de woorden even los te kunnen laten toen ik de muziek van de Olmendans opzette en de eenvoudige stapjes voordeed. Vervolgens gaven we elkaar allemaal een hand en bewogen samen op de muziek.

De vierenvijftig mensen in de ruimte waren met teveel om in één cirkel te dansen, dus vormden we concentrische cirkels. De bewegingen zijn gemakkelijk aan te leren en al gauw pasten de cirkels zich aan aan de muziek. En telkens wanneer we naar het midden stapten en onze verbonden handen hoog boven onze hoofden brachten, leken we wel een reusachtige zonnebloem of een lotusbloem met vele bloemblaadjes.

Terwijl we dansten vroeg ik me af wat de burgemeester van Novozybkv  zou denken als hij ons zag. Ons team had bij onze aankomst de dag ervoor met hem contact opgenomen om uit te leggen wat we kwamen doen. De knappe wat zwaarlijvige man van een jaar of veertig luisterde wat omzichtig.  “Het is goed dat jullie hier psychologische revalidatie komen brengen,” zei hij.

Dat was de term die nu in zwang was: psychologische revalidatie. Ik was blij dat de emotionele tol van de ramp tenminste door de autoriteiten erkend werd, vooral omdat in de drie jaren volgend op de ramp dokters de opdracht kregen van het Ministerie van Gezondheid om de gevolgen te ontkennen. Als mensen volhielden dat hun ziekte en uitputting, hun kankers, hun miskramen en misvormde baby’s iets te maken hadden met Chernobyl, kregen ze de diagnose ”radiofobie”, een irrationele angst voor straling. Toch ergerde de uitdrukking “psychologische revalidatie” me; ik vond het een belediging voor de mensen van Chernobyl. Het reduceerde hun lijden tot een pathologie, alsof het iets was wat gecorrigeerd moest worden.

Hoe konden we aan de burgemeester het fundamentele verschil met onze visie overbrengen? “Meneer de Burgemeester”, zei ik, “wij denken niet dat wij het lijden van uw mensen kunnen wegnemen. Dat zou van onze kant nogal aanmatigend zijn. Maar wat we kunnen doen is samen kijken naar de twee belangrijkste manieren waarop wij als mensen op collectief lijden reageren. Het lijden van een volk kan nieuwe krachten en solidariteit teweegbrengen. Of het kan leiden tot isolement en conflict , waardoor mensen zich tegen elkaar keren. Er is altijd een keuze.”

Op dat moment veranderde het gedrag van de burgemeester totaal. Hij leunde achterover  in zijn stoel, spreidde zijn handen op de tafel en zei: “Er gaat geen dag voorbij en geen enkele ontmoeting in dit bureau waarin niet de woede duidelijk wordt die juist onder de oppervlakte zit. Wat ook het gespreksonderwerp is, er is altijd die nauwelijks ingehouden woede , klaar om te ontploffen.” En dan, na een korte pauze, “Als er iets is wat ik kan doen om uw werk hier te ondersteunen, laat het me weten.”

Tijdens die eerste dag van de workshop werd echter duidelijk dat deze mensen er weinig behoefte aan hadden om te praten over Chernobyl  en de voortdurende aanwezigheid daarvan in hun leven. Zij verwezen er terloops naar als “de gebeurtenis”, en spraken vervolgens weer over andere dingen. Mensen in minder besmette steden dan hier hadden ons in detail verteld over de uitputting, de chronische infecties, de groeiende patronen van kanker en geboortedefecten. En nu was ik aangekomen op de meest toxische plaats van allemaal om deze mensen in hun lijden bij te staan, en ze wilden er niet over praten. Zelfs een getrouwd koppel, dat om beurten in de voor- en namiddag wegging, zeiden geen woord over hun kleine meisje in het ziekenhuis waar zij zich naar toe repten.

Het stilzwijgen van de groep leek te zeggen, “We hebben geen behoefte om hierover te praten. We moeten al al onze tijd in deze nachtmerrie steken. Hier kunnen we eindelijk aan iets anders denken. We kunnen samen kijken hoe we weer wat evenwicht en harmonie in ons gezinsleven kunnen brengen.” Over dat laatste waren ze zeer duidelijk. Zij wilden weten hoe ze om moesten gaan met opstandige kinderen, norse afwezige echtgenoten, roddelende buren.

Harasch boog zich naar mij toe. “Het gaat allemaal over hetzelfde – Chernobyl. Op het bewuste niveau verandert Chernobyl in spanningen en conflicten in familierelaties.”

Okay, we focusten ons op het familiale leven. Er ontspon zich een levendig gebeuren van mensen die partners kozen om confrontaties tussen ouders en kinderen uit te beelden, van rol te verwisselen, te oefenen hoe naar elkaar te luisteren. Dit deed hen terugdenken aan hun eigen kindertijd – niet alleen aan de adolescente frustraties die hen konden helpen om mee te leven met hun eigen nageslacht, maar ook aan de goede tijden. Ze wisselden herinneringen uit aan oogsttijden met hun grootouders, aan feestjes met de arrenslee en visuitstapjes naar de Dnjepr. Het voelde allemaal zo herstellend – alsof we allemaal samen van een uitstekende en heilzame maaltijd genoten – dat Fran nog meer oefeningen toevoegde waarin mensen zich samen de oude bronnen van vreugde konden herinneren.

Waarom voelde dit zo belangrijk? “We versterken het immuunsysteem van onze cultuur,” dacht ik bij mezelf, en zei het toen hardop. Zoals straling de integriteit van het lichaam aanvalt, zo valt  die straling ook onze samenleving aan en holt het gevoel van heelheid en continuïteit uit. Om het immuunsysteem van onze cultuur te ondersteunen, moeten we ons herinneren wie we zijn en wat onze bronnen van kracht zijn; concrete herinneringen helpen ons daarbij.

Het is nu avond, en voordat we uit elkaar gaan om naar huis te gaan, dansen we nog een keer rond op de muziek. Een gitaar speelt de muziek en een vrouw zingt. Zij zingt in het Lets een lied ter ere van de olm in de hoop op zijn genezing, want die boom heeft het moeilijk zowel in de Baltische Staten als in mijn eigen land. Maar mij wordt verteld dat achter haar woorden ook andere betekenissen schuilgaan – een roep om bevrijd te worden van de Sovjet bezetting, en de wil om vol te houden en in verzet te komen. Het doet er niet toe dat we geen Lets verstaan; het is haar stemgeluid waarop we dansen, en op de steeds terugkerende melodie, waardig en vol verlangen. Intussen zijn de eenvoudige pasjes zo bekend dat sommigen met hun ogen dicht dansen. Hun gezichten worden onbeweeglijk, alsof zij luisteren naar iets wat juist buiten hun bereik ligt. Ooit hadden ze hun eigen volksdansen. Wanneer zijn deze oude tradities verdwenen, verbannen naar een nutteloos verleden? Was het onder Lenin, Stalin?

Onze gastheren, die van Fran en mij, wonen in een appartement op de vierde verdieping van een betonnen woonblok. Een muur van hun salon is behangen met een prachtige scene van een bosgebied: zonlicht valt tussen berkenbomen door op een groene open plek. In deze kamer volgepropt met goed gestoffeerde meubelen geeft het vergezicht op het behangpapier een verfrissend gevoel van ruimte en natuurlijke schoonheid. Ik sprak er die avond  bij een kopje thee over met  Vladimir Ilyich, de vader van onze gastheren en schooldirecteur van de school in Novozybkov. Hij zat daar met zijn 10-jarige kleinzoon en toonde me de grote Geigerteller waarmee hij in zijn auto rondrijdt; deze teller geeft aan waar het gif recent opgedoken is en waar de kinderen dus niet mogen spelen.

Mijn ogen volgend zei Vladimir Ilyich, “Dat is waar de kinderen niet mogen komen – trouwens niemand van ons. Want de bomen blijven zeer lang radioactief. Onze voorouders waren bosmensen. Tijdens de Nazi-bezetting vochten onze partizanen vanuit het woud. Zelfs in de harde tijden onder Stalin trokken we elke vakantie en elk weekend de bossen in – om te wandelen, te picnicken, paddenstoelen te zoeken. Ja, wij waren altijd mensen van het woud.” En rustig herhaalde hij, nog eens: “mensen van het woud”.

Ik vroeg hem wanneer hij weer terug het woud in zou kunnen gaan? Met een vermoeid lachje haalde hij zijn schouders op. “Niet tijdens mijn leven”, zei hij, en met een blik op zijn kleinzoon, “en ook niet tijdens zijn leven.” Waarop hij een gebaar maakte naar het behangpapier “Dit is ons woud nu.”

Het is de tweede ochtend van onze driedaagse en de mensen komen de vergaderzaal van de school binnen, nemen elkaars handen vast, en voordat er enig woord gesproken is, beginnen zij met de Olmendans. Elke vierde maat, tussen het naar rechts of links bewegen, voorwaarts of achterwaarts, pauzeren we vier tellen waarop we zachtjes wiegen. In mijn ogen konden we deze ochtend bomen zijn, tengere stammen wiegend op stevige wortels, en onze armen, als we ze opheffen, lijken op takken die in elkaar grijpen. Dansen we voor de bossen die we niet langer kunnen binnengaan?

Terwijl ik ronddans met de anderen, herinner ik mij de verbindingen die deze dans tot bij mij gebracht hebben – hoe die mij bereikte via Hannelore, mijn vriendin in Duitsland, die hem gekregen had van Anastasia, haar Duitse vriendin, die de dans op het Letse lied creëerde. De dans is niet alleen bedoeld voor de heling van de olm, zei Anastasia via Hannelore aan mij. Het gaat om de intentie. Het gaat om het versterken van ons vermogen om onszelf een doel te stellen en het besluit dat ons hart genomen heeft ook uit te voeren.

 Ik hoor in mijn hoofd weer de stem van leraar Khamtrul Rinpoche over het uitzonderlijke belang van motivatie, bodhicitta. Ik herinner me ook weer de Oceaan van Wijsheid – de brandende intentie die hij belichaamde als hij armoede en gevaar glimlachend tegemoet trad. En ik denk: dit is een bhodisattva dans.

Die namiddag brak het verdriet door.

Het gebeurde onverwacht, tegen het einde van een geleide oefening waarin ik de mensen van Novozybkov uitnodigde om contact te maken met hun voorouders en hun krachten te oogsten. Bewegend door de ruimte, als in een groot ronddraaiend wiel, reisden zij terug in de tijd doorheen alle voorgaande generaties. De stem van Joeri, die hen begeleidde, verrijkte mijn woorden. Vervolgens bewogen zij zich met hun stappen weer voorwaarts in de tijd om de gaven van hun voorouders te verzamelen om ze in hun huidige leven te kunnen gebruiken. Maar tijdens die terugreis, toen we het jaar 1986 bereikten, schrokken ze terug. Zij weigerden verder naar het heden te komen. Zij weigerden de horror van wat hen toen overkomen was te accepteren, en het was juist die weigering die hen dwong om erover te spreken.

Het spreken explodeerde. Er kwamen herinneringen vrij aan die onaanvaardbare lente – de verschroeiend hete zuidwestenwind, de witte as die bij heldere hemel uit de lucht kwam vallen, de kinderen die daarin rondrenden en speelden, de stortregen die daarop volgde, de geruchten, de angst. Weet je nog hoe het was? Weet je het nog? Weet je het nog? Ons team had papier en kleurpotloden klaargelegd voor de mensen om de gaven die zij van hun voorouders ontvangen hadden te tekenen, maar nu bestond er nog maar een enkel thema. Een aantal tekeningen beeldden bomen uit en een weg die naar de bomen leidde, en over de weg een slagboom, of een grote X, die de weg afsloot.

Toen we uiteindelijk weer samenkwamen in de grote cirkel barstten de positieve gevoelens die tijdens de workshop gegroeid waren uiteen in woede, gericht op mij. “Waarom heb je ons dit aangedaan?” schreeuwde een vrouw. “Waar is dat goed voor? Ik ben bereid om het verdriet te dragen – al het verdriet van de wereld – als het mijn dochters zou kunnen behoeden voor de kanker. Telkens wanneer ik naar hen kijk vraag ik mij af of er tumoren zullen groeien in hun kleine lijfjes. Kunnen mijn tranen hen beschermen? Waar zijn mijn tranen goed voor als zij dat niet kunnen?

Ook door anderen werden boze, verwarde dingen gezegd. Onze tijd samen was tot nu toe zo goed geweest, zo’n welkome onderbreking in wat hun leven geworden was; waarom had ik het bedorven?

Terwijl ik naar hen luisterde, voelde ik me diep geraakt en verweet mijzelf stilzwijgend mijn ongevoeligheid. Wat kon ik nu in hemelsnaam nog zeggen? Een uiteenzetting over de waarde van het werken rond wanhoop zou obsceen geweest zijn. Toen ik uiteindelijk de stilte die volgde op die lange uitbarsting verbrak, was ik verbaasd dat de woorden die in mij opkwamen niet over hen gingen of over hun lijden onder Chernobyl, maar over het volk van Hannelore en Anastasia.

“Ik bezit geen wijsheid die jullie verdriet kan lenigen. Maar ik kan dit met jullie delen: Na de oorlog die hun land bijna compleet vernietigde, besloot het Duitse volk dat zij er alles aan wilden doen om hun kinderen het lijden te besparen dat zij geleden hadden. Zij werkten hard om hen een veilig, rijk leven te bezorgen. Zij creëerden een economisch mirakel. Zij gaven hun kinderen alles – behalve één ding. Zij gaven hen niet hun gebroken harten. En hun kinderen hebben hen dat nooit vergeven.”

De volgende ochtend, nadat we na de olmendans onze plaatsen weer innamen, constateerde ik opgelucht dat ze er nog alle vijftig waren. Achter ons hingen de tekeningen van de vorige namiddag nog aan de muren, de schetsen van de bomen en de slagbomen in de vorm van een X die de weg naar de bomen versperden. “Het was moeilijk gisteren,” zei ik. “Hoe gaat het nu met jullie?”

De eerste die opstond was de vrouw die de grootste woede had geuit, de moeder van de twee dochters. “Ik heb nauwelijks geslapen. Het voelt alsof mijn hart openbreekt. Misschien zal het steeds weer openbreken, elke dag opnieuw, ik weet het niet. Maar op de een of andere manier – ik kan het niet uitleggen – voelt het goed aan. Dit openbreken verbindt mij met alles en iedereen, alsof we allemaal takken van dezelfde boom zijn.”

Van de anderen die na haar spraken tijdens die laatste ochtend, herinner ik me het duidelijkst de man die ik herkende als de vader die regelmatig wegging om zijn kleine meisje in het ziekenhuis te bezoeken. Dit was de eerste keer dat hij zich tot de hele groep richtte, en zijn houding was nog even onaangedaan, zijn gezicht nog even uitdrukkingsloos, al daarvoor. “Ja, het was moeilijk gisteren,” zei hij. “Moeilijk om naar de pijn te kijken, moeilijk om die te voelen, moeilijk om erover te spreken. Maar zoals het vandaag voelt – het voelt voor het eerst in lange tijd als gezuiverd.” Chisti, het woord dat hij gebruikte voor gezuiverd, betekent ook niet-gecontamineerd.

Ik vertelde op mijn beurt over  de vergadering die ik de volgende week in Oostenrijk zou bijwonen: de World Uranium Hearing, waar inheemse volkeren van over de hele wereld zouden getuigen van hun ervaringen met nucleaire besmetting. Navajo en Namibische mijnwerkers zouden er komen, Marshall-eilanders, Kazakken, Westelijke Shoshones  wonend onder de rook van testsites, en vele anderen om te spreken over de ziekte en dood  die volgden in het spoor van nucleaire energie en wapenproductie. Ik wilde dat ze wisten dat ze niet alleen stonden in hun lijden, maar deel uitmaakten van een groot web van broeders en zusters die vastbesloten zijn om hun pijnlijke ervaring in te zetten  in de strijd om de wereld weer gezond te maken. “Op de hoorzitting zal ik over jullie in Novozybkov spreken, en ik zal jullie verhaal ook aan mijn eigen mensen thuis vertellen. Dat beloof ik jullie.”

Ik deed die belofte omdat ik van hen was gaan houden en vooral omdat ik wist dat zij zich vergeten voelden door de buitenwereld, die liever denkt dat de ramp van Chernobyl voorbij is. Met het verstrijken van de jaren sinds die rampzalige april van 1986 kan de catastrofe even gemakkelijk uit ons bewustzijn weggevaagd worden als de bulldozers de houten woningen  van Novozybkov, met hun geverfde deuren en ramen in houtsnijwerk, met de grond gelijk maakten, omdat, zoals Vladimir Ilyich al zei “hout de radioactiviteit vasthoudt.” En nu, terwijl hun eigen regering nog meer reactors bijbouwt, lijkt het voor deze families alsof er niets geleerd is uit al het lijden. En dat is misschien nog wel het moeilijkst van alles.

Ik heb mijn belofte aan mijn vrienden in Novozybkov gehouden. Ik sprak over hen op de World Uranium Hearing en daarna in elke groep die ik tegenkwam. Al snel deelde ik hun verhaal door ook de Olmendans waar zij zo van hielden te delen. In Boston en Londen, Bonn, Vancouver, in Tokyo en Sydney en op alle andere plaatsen waar ik workshops begeleidde, vroeg ik aan de mensen zich voor te stellen dat zij op dat moment dansten met de mannen en vrouwen van Novozybkov, en dat de handen die zij vasthielden de handen zijn van Vladimir, Elena, Olga, Igor, Misha. Ik wilde dat zij zouden voelen, sterker dan door woorden alleen, hoe hun levens vervlochten zijn met de mensen van Chernobyl.

In het proces blijkt de Olmendans op zichzelf een leraar met zijn eigen momentum geworden te zijn.   Als intentionele dans helpt hij ons onze voornemens te versterken, niet alleen voor het welzijn van de mensen rond Chernobyl, maar ook voor ruimere heling. En de gewoonte is gegroeid om in de laatste helft van de dans spontaan de namen te roepen van degene wiens heling we wensen – zalm, sequoias, teelaarde, de scholen, de gevangenissen, Bosnië, de Amazone. Wanneer we dan de dans weer oppakken is het alsof we een soort neuraal web binnengaan waarin we de onderlinge verbondenheid met alle wezens kunnen ervaren. Of het is als een soort sonisch Indra’s Net, een net dat ons ons wederzijdse thuis-zijn laat voelen en hoe dit net ons kan dragen.

We hoeven dit echter niet te zeggen. Als we stoppen met praten en een cirkel vormen, bewegend op de stappen die zichzelf herinneren, zegt de dans het voor ons.

Daarna werden meer copies van de tape gemaakt en meegenomen naar weer andere mensen, andere plaatsen – klaslokalen, kerken, vergaderzalen. Zelfs naar stranden om af te spelen vanop pick-up trucks.

“Ze arresteren ons niet terwijl we dansen,” zeggen onze vrienden in Australië, die de Olmendans geïntroduceerd hebben in hun directe acties om de laatste plaatsen oud regenwoud te beschermen en de aanleg van meer uraniummijnen te blokkeren. Maar zij dansen niet om hun arrestatie uit te stellen, maar eerder om met elkaar verbonden te blijven en vast te houden aan hun intenties – “het herinnert ons eraan waarom we doen wat we doen.” De zuid-westelijke wouden waarin zij kamperen, en het vochtige oerwoud van noordelijk Kakadu, hebben geen stopcontacten voor hun muziekinstallaties – maar die zijn ook niet nodig, want de Letse melodie klinkt luid uit hun open kelen. Onder oude Karri bomen, de grootste en mooiste eucalyptussoort, heb ik gezien hoe zij een bulldozer tegenhielden door er omheen te dansen. En in de binnenstad van Sydney, danste ik met hen temidden van hoge kantoorgebouwen. Op een demonstratie tegen de steun van hun regering voor het bombarderen van Irak , luisterde ik naar de ernstige, scherpe sprekers achter de microfoon en voegde er ook mijn eigen woorden aan toe; maar toen mijn vrienden naar het naastliggende plein trokken, hun protestborden op de grond legden en elkaar de hand gaven in de Olmendans, zag ik wat er met de hele manifestatie gebeurde. Ik voelde zowel in de menigte die errond stond als in mijzelf een dieper en rustiger wordende aandacht. De cameraman van de televisie, die al bijna vertrokken was, haastte zich terug, drong zich zelfs tussen ons door – we waren intussen met veertig – naar voren om de patronen die we maakten  terwijl we ronddansten en onze met elkaar verbonden opgeheven handen te filmen. En op het dagelijkse journaal was te zien hoe, tussen de berichten over de oorlog, “mensen voor de vrede dansen”.

Aboriginals in Australië hadden nog iets gedenkwaardigers te zeggen over de Olmendans. Het gebeurde toen een aantal van onze vrienden uit Perth een pelgrimstocht maakten naar hun voorouderlijke gebieden om te protesteren tegen een geplande uraniummijn. Als traditionele eigenaars van de terreinen die uitgegraven zouden worden waren de inheemse ouderlingen sterk onder druk gezet door de mijnindustrie en zijn consorten in de regering. De aanbiedingen van banen en geld, met de belofte dat er nog meer ging komen, hadden hen in de war gebracht over wat het beste was voor hun volk; zelfs de waarschuwingen van antinucleaire activisten klonken als weeral zoveel woorden. Maar toen de pelgrims uit Perth aankwamen, en de ouderlingen zagen hoe zij een cirkel vormden en de Olmendans dansten, glimlachten zij. “Witte vrienden, jullie dans toont ons dat jullie weten waar het echt om gaat.”

***

Ecofilosofe Joanna Macy is expert in de algemene systeemtheorie en ‘deep ecology’. Zij verbindt haar theoretische kennis met vijf decennia activisme en is een zeer gerespecteerde stem in vredes-, rechtvaardigheids- en milieubewegingen. Zij ontwikkelde het ‘Werk dat Weer Verbindt’: een baanbrekend theoretisch kader voor persoonlijke en sociale verandering.

Publicaties oa:

Joanna Macy: World as Lover, World as Self – London, Random House Ltd, 1993

Joanna Macy & Molly Young Brown: Terugkeer naar het Leven – Uitgeverij Jan van Arkel, 2012

Joanna Macy & Chris Johnstone:  Actieve Hoop – Milinda Uitgevers 2016

***

Vertaling door Jeanneke van de Ven, lid van de draaischijf van Aardewerk.

 

Richtlijnen voor de Olmendans

Vorm een cirkel met veel ruimte om te bewegen, en geef elkaar een hand. Als er teveel mensen zijn om een enkelvoudige cirkel te vormen, vorm dan concentrische cirkels met een afstand van een grote stap tussen de cirkels.

Het is niet belangrijk op welk moment in de muziek je begint te dansen, behalve dat je moet starten op een slag. De dans bestaat uit vier tellen beweging, afgewisseld met vier tellen stil staan. Wieg bij het stilstaan, en stel je voor dat je de energie als een spiraal vanuit het hart van de aarde door de grond heen kunt voelen opstijgen in  je lichaam. Wanneer de energie de hartchakra bereikt, stuur deze dan door voor de heling van de olmen en van alle andere wezens. Dit is een intentionele handeling, en Anastasia Geng, die de dans op het Letse lied creëerde, zei dat het doel van de dans het opbouwen van sterke intenties is.

De cirkel beweegt tegen de klok in (naar rechts). Begin altijd met de rechtervoet. Begin door vier stappen achterwaarts te zetten (naar rechts). Na vier tellen stilstaan (wiegen), gaan de vier volgende stappen naar voren, nog altijd tegen de klok in. Zet, na de volgende vier tellen stilstaan, vier stappen naar het centrum van de cirkel, en hef aan elkaar gelinkte armen omhoog ; denk eraan weer stil te staan en vier tellen te wiegen. Zet vervolgens vanuit het midden van de cirkel vier stappen achterwaarts en ga op deze manier verder totdat de muziek halverwege stopt. Tijdens de stilte voordat de muziek weer begint, herinnert de begeleidster de dansers eraan dat zij gedurende de tweede helft van de dans die delen van onze wereld – wezens, plaatsen, instellingen – bij naam kunnen noemen waarvoor zij heling wensen.

Muziek: elm dance

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *