OP ZOEK NAAR DE PRIVACY

OP ZOEK NAAR DE PRIVACY

In de zoektocht naar het antwoord op de vraag of onze privacy in het gedrang kwam door de maatregelen die de overheid heeft genomen in een poging het virus te verslaan, zag ik mij genoodzaakt om steeds dieper door te dringen in haar sferen. Privacy is als containerbegrip niet werkbaar, zij beslaat immers facetten uit de persoonlijke levenssfeer, de persoonsgegevens en de bewegingsvrijheid. Het is een juridisch en filosofisch begrip, maar het zou haar oneer aandoen haar enkel in Academia te laten ressorteren. Haar plaats is in de woonkamer, in het dagboek van de puber, in de webbrowser van de echtgenoten; de privacy behoort ons allen toe. Naarmate de privacy zich voor mij opende, begon ik het oorspronkelijke doel van het artikel steeds onbelangrijker te vinden, al zal ik een poging doen een antwoord te formuleren – beloofd.

Korte geschiedenis van de persoonlijke levenssfeer

Privacy is een veelkleurig begrip. Het duikt in onze contreien op in woordenboeken uit de 19de eeuw en wordt dan vertaald als in het geheim of afzondering. Privacy heeft in die betekenis een lange geschiedenis waarbij vooral het religieuze aspect ruim gedocumenteerd werd: woestijnvaders, heremieten, anachoreten en kluizenaars. Zij verlieten hun woonplaats niet altijd uit vrije wil, maar zochten veiligheid in de wildernis omdat ze onderhevig waren aan vervolging omwille van hun ideeën. Later werd dit een spirituele traditie. Daarbij is het moeilijk te bepalen waarvan men probeerde weg te vluchten, of wat men probeerde te vinden in de seclusie.

De behoefte naar afzondering wordt vaak gelezen als een verlangen naar een dieper geestelijk leven. Het is de drijfveer die de mysticus Jan van Ruusbroec in 1343 naar de kluis van Groenendaal bracht. Hij verliet Brussel omdat hij “zich wilde terugtrekken uit de menigte van mensen”. Andere redenen die worden aangehaald voor zijn vertrek zijn de schrille stem van een kapelaan of een onvrede met de kerkelijke misstanden uit die tijd.[1] Het is nu eenmaal een feit dat de samenleving gul in redenen voorziet om van haar weg te vluchten.

Tijdens het Amerika van de Antebellumperiode zijn het mensen als Henry David Thoreau, John Muir en Ralph Waldo Emerson die de gewilde en positief beleefde eenzaamheid opzoeken en beschrijven in hun publicaties. Daarbij wordt vaak voorbij gegaan aan de transformatieve kracht van de solitude, bij Thoreau verbeeld als de hut nabij het Waldenmeer. Thoreau had zijn broer op vroege leeftijd verloren en was diep onder de indruk van het overlijden van het vijfjarig zoontje van zijn vriend Emerson. De hagiografie van Antonius van Egypte, die bekend staat als vader van het kloosterleven, verhaalt hoe de heilige de woestijn in trok nadat zijn beide ouders om het leven waren gekomen. Geconfronteerd met de grens van het leven, wordt het ijdel geraas van de wereld ondraaglijk en zoekt men afzondering om het trauma te verwerken.

Dit verzaken aan des werelds plicht kan ook een vernietigende uitkomst hebben. Unabomber Theodore Kaczynski vond geen rust in zijn afzondering in de bossen van Montana en maakte met zijn bombrieven dodelijke slachtoffers. Christopher “Into the Wild” McCandless werd genekt door onvoldoende kennis over de omgeving waarin hij zich had teruggetrokken en stierf door voedselgebrek.

Het is een misvatting om privacy te beschouwen als een plaats, een geografische locatie die men eerst moet bereiken alvorens men van privacy kan genieten. In bovenstaande gevallen gaat het over een actief op zoek gaan naar privacy, vaak door mensen die in de samenleving niet vonden wat ze zochten, en die hun leefomgeving hebben verlaten om privacy elders te zoeken, maar eerder als middel dan als doel. Het achterliggende idee is dat men in de samenleving niet volledig zijn potentieel kan verwerkelijken of dat men niet kan worden wat men wil zijn.

Veel burgers hebben geen nood aan vergaande afzondering, maar dat betekent niet dat ze geen behoefte aan privacy hebben. Dat is het probleem met de privacy: dat ze slechts gemist wordt wanneer ze verdwenen is.

In het Nederlandstalige landsgedeelte werd privacy lange tijd aangeduid met het begrip “persoonlijke levenssfeer”. Of, afkomstig van dezelfde Latijnse stam, het woord “privaat”.

Denk aan een perceel in een bos dat niet toegankelijk is voor onbevoegden of een café waar een deur met de boodschap “privaat” de grens afbakent tussen de publieke ruimte van de gelagzaal en het woongedeelte van de herbergier. Dit slaat dan op de plaats die men wenst af te schermen voor anderen. “Privaat” is in sommige regio’s eveneens een aanduiding voor toilet.

Even op dit spoor doorgaan: de evolutie van de sanitaire ruimtes geeft de veranderende ideeën over privacy weer. Vandaag de dag worden op plaatsen als tankstations en sporthallen nog steeds latrines gebruikt, niet veel anders dan die van de Romeinen, het enige verschil is dat enkele dunne wanden de gebruiker onttrekken aan de blik van anderen, de wanden bieden geen weerstand aan externe invloeden als geluid of geur. De wand moet ons in de eerste plaats buiten beeld brengen.

“Persoonlijke levenssfeer” valt dan ook te begrijpen als datgene wat we achter die wand willen houden. Wanneer men op een drukke plaats een persoonlijk telefoontje moet plegen, zal men zichzelf proberen terug te trekken achter die wand. Wanneer iemand te dichtbij komt om te luistervinken, ervaart men dat als een schending van de privacy en zal men zich verplaatsen om zichzelf en de wand intact te houden.

Er wordt beweerd dat privacy lange tijd was voorbehouden voor de elite, wat tot op bepaalde hoogte klopt, en dat de gewone mens geen behoefte had aan privacy, wat onzin is. De omstandigheden maakten dat er weinig ruimte was om te voldoen aan “persoonlijke levenssfeer” – grote families in huizen met weinig afzonderlijke kamers en een centrale stookplaats – maar dat betekent niet dat het verlangen ernaar niet bestond. Dit komt tot uiting in het gebruik van de bedstede op het platteland: een in de wandbetimmering opgenomen slaapplaats in de vorm van een kast en afgesloten met deurtjes of een gordijn.

Woningen worden anders ingedeeld wanneer de economische omstandigheden het enigszins toelaten: van aparte slaapkamers voor de kinderen tot een speelkamer voor mannen die we mancave noemen. Woningen werden ook meer en meer afgeschermd van de blik van de ander. Hagen, poorten en omheiningen bieden bescherming tegen het warme oog: de oordelende, vorsende kijk op ons leven door de buren. Het koude oog achter de cameralens hebben we vrijwillig binnengelaten. Bedrijven en overheden dringen steeds dieper door in de leefwereld van de burger. De openbare ruimte werd al ingepalmd met camera’s en reclameboodschappen. The next frontier is de woning, waar het menselijk gedrag continu in data wordt gegoten en van dataserver naar dataserver de wereld zal rondreizen, om verkocht te worden aan de hoogste bieder. Internet of things-apparaten behoren steeds vaker tot de huisraad, ook al bleek meerdere keren dat Alexa (Amazon) en Siri (Apple) naast het opvolgen van bevelen, ook goed kunnen afluisteren. Alle apparaten die aangeduid worden met de term “smart” hebben het potentieel de privacy te schenden. Het zijn niet alleen wij die naar televisie kijken, de televisie kijkt ondertussen ook terug naar ons[2].

Korte origin story van de hedendaagse betekenis van privacy

Het is opvallend dat het begrip privacy tot ontwikkeling komt in relatie tot de opkomst van de massamedia. Het is in de Derde Franse Republiek dat de Wet van 29 juli 1881 sur la liberté de la presse wordt doorgevoerd. De wet rekent af met een veelheid aan regels die bedoeld waren om de pers aan banden te leggen. Terzelfdertijd wordt er naar een antwoord gezocht op de vraag waar persvrijheid eindigt, en laster begint; het punt waarop de integriteit van het individu in het gedrang komt. De wet doet een poging het individu te beschermen tegen kwaadsprekerij en laster.

De grote breuklijn ontstaat aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Een pikant detail is dat de grondlegger van het moderne begrip van privacy deels uit persoonlijke wrok handelde. De advocaat Samuel Warren was het spuugzat dat een Bostonse krant highly personal en embarrassing details publiceerde over de parties die Mevrouw Warren organiseerde voor de elite van de stad. Warren wendt zich tot zijn voormalige compagnon Louis Brandeis en de samenwerking resulteert in 1890 in het baanbrekende essay “The Right to have privacy”[3].

Het duo detecteert een veranderende samenleving met een snel evoluerende technologie, maar een wetgeving die niet is aangepast aan de tijdsgeest. Tussen 1850 en 1890 was het aantal krantentitels in Amerika spectaculair gestegen, grote titels bereikten acht miljoen lezers. In het begin van de 20e eeuw komt de Kodak Brownie op de markt, een betaalbare, draagbare fotocamera die het mogelijk maakt om snel kiekjes te schieten op publieke plaatsen. De pers ging steeds driester te werk in een zoektocht naar spectaculaire krantenkoppen. Het is binnen die context dat de tekst van Warren en Brandeis tot stand komt. Hun visie op het het privacyrecht valt samen te vatten als the right to be let alone.

Brandeis zal het onderwerp blijven uitdiepen en neemt later afluisterpraktijken van de overheid onder vuur.

De discussie verplaatst zich van juridische tijdschriften naar Main Street wanneer William James Sidis tegen de sensatiepers ten strijde trekt. William James is wat men noemt een wonderkind. De pers betoont buitengewone interesse in het jongetje dat Plato in het Grieks leest en vijf talen spreekt. The New York Times zal 45 artikelen aan hem wijden, niet zelden neergeschreven in hetzelfde toontje dat men doorgaans gebruikt voor iemand die een uitzonderlijk grote pompoen heeft gekweekt of een kip die banjo speelt met haar snavel.

De aandacht komt hem al snel de strot uit. In 1914, op de leeftijd van zestien, studeert hij af aan Harvard University. Hij trekt zich terug uit het publieke en academische leven, werkt als bediende en zoekt een anoniem bestaan op in steden waar hij aan vrienden zijn visie op de Amerikaanse geschiedenis onderwijst.

Het wordt hem echter niet toegestaan zich te onttrekken aan het oog van het publiek. In 1937 voert de The New Yorker hem op in een rubriek met als titel Where are they now?. Eenzaam, in een klein kamertje in de wijk South End in Boston, volgens de reporter. Sidis daagt het magazine voor de rechter wegens smaad en inbreuk op de privacy. In de rechtbank komen freedom of speech en the right to be left alone tegenover elkaar te staan. Hij zal de rechtszaak verliezen, maar de publieke opinie schaart zich achter hem.

Sidis, zo is de teneur, heeft het recht om zichzelf heruit te vinden en de vacht van zijn oude leven achter zich te laten. Per slot van rekening, dat is toch waar die American Dream eigenlijk voor staat;  een oud leven achterlaten en opnieuw beginnen? Een land met de omvang van een continent, waar het lange tijd mogelijk was om van New York naar Texas te verhuizen, een andere naam aan te nemen en een nieuw leven te beginnen, ongehinderd door spoken uit het verleden.

Sidis begint aan een juridische rechtsgang die zeven jaar zal duren. Nadat hij ook in hoger beroep geen gelijk krijgt, zal hij voor 600 $ een schikking treffen met The New Yorker. Het is voor het eerst sinds de ontstaansgeschiedenis van het blad dat er een soort van schadevergoeding wordt uitgekeerd. Sidis is ziek en heeft schulden, en zal later dat jaar overlijden. De rechtszaak Sidis v. The New Yorker wordt wijd en zijd bediscussieerd. In het privacydebat schuren de wet en de publieke opinie als tektonische platen over elkaar heen, een frictie die tot op de dag van vandaag blijft voortduren.

Even ongerijmd als de persmuskieten uit het interbellum, springen wij om met de technologie waarrond nog weinig gedragsregels bestaan. De pionierstijd van de sociale media is ondertussen al lang voorbij, grote groepen mensen vonden hun plaats op de platformen, maar er hangt nog steeds de sfeer van het Wilde Westen.

In de zaak Eveline, waarbij naaktfoto’s van bekende Vlamingen werden verspreid zonder hun toestemming, valt te noteren dat de massamedia de zaak lange tijd bewust niet hebben gebracht. Het was pas nadat een zanger gerechtelijke stappen zette dat ze het bericht in de nieuwscyclus brachten, steevast aangevuld met de boodschap dat het verspreiden van zulke beelden strafbaar is. Ondertussen waren de foto’s al breed verspreid via sociale media en enkele obscure websites. De ontregelende kracht is in handen gekomen van het publiek, maar de sociale gedragscodes zijn nog niet voldoende ontwikkeld om de privacy van het individu te garanderen.

Privacy is fragiel, want het vraagt om gerespecteerd te worden. Het staat of valt met de welwillendheid van de ander om die privacy toe te staan. In dat opzicht voelt het aan alsof privacy een gunst is die verleend wordt.

Gegevensbescherming

 Data is een gegeven, een representatie van iets. Meerdere data bij elkaar kunnen informatie vormen, ze krijgen betekenis. Vincent Icke, hoogleraar theoretische sterrenkunde, relativeert het belang dat vandaag de dag wordt gehecht aan data. Databases, zo stelt hij, bevatten nauwelijks feitelijke informatie. Er zijn slechts enkele echte feiten over een persoon te melden, zoals geboortedatum, bloedgroep en sommige gegevens uit de levensloop en de medische geschiedenis. Lengte en gewicht veranderen voortdurend, mensen veranderen van huidskleur en geslacht, zelfs een pasfoto is geen hard feit.

Bedrijven en overheden beschouwen data nochtans als een goudmijn die ontgonnen moet worden. De mens wordt gedolven, zowel in de arbeidstijd als daarnaast; van minuut tot minuut winstgevend gemaakt. Elke activiteit geregistreerd, verpakt en gecombineerd met andere data in de hoop dat er een soort van verhaal ontstaat, meten om te weten, en vooral om te voorspellen, te beïnvloeden en te verkopen.

De angst voor de controlestaat is daarbij nooit veraf. Daarbij wordt uitgegaan van het panopticum-model dat Jeremy Bentham in 1791 beschreef: een cirkelvormig gebouw met cellen met veel glas die rond een centrale ruimte zijn gebouwd waardoor slechts 1 persoon volstaat om vanuit de centrale plaats controle uit te oefenen. De waarheid is dat op dit moment niemand in staat is om al die data te beheersen. De centrale plaats is leeg. Het model dat de huidige situatie het best weergeeft is dat van een octopus. Het brein van de octopus zit over zijn lichaam verspreid, en zo is dat ook met onze data. Verschillende partijen hebben verschillende stukjes in handen.

In Europa wordt de verwerking van onze data geregeld door de wet van 25 mei 2018, de zogenaamde GDPR. Volgens kenners een in de wereld unieke beschermingsmuur tegen pottenkijkers. Onderdeel van deze wet is het wondermooie Right to be forgotten, het recht om vergeten te worden, hetgeen William James Sidis eigenlijk wilde. Burgers kunnen organisaties dwingen om bepaalde verouderde of onjuiste informatie te verwijderen.

Na de aanslagen van 9/11 dreigde Europa even meegesleurd te worden in de surveillance op grote schaal die in de VS op touw werd gezet met de Patriot Act. Inlichtingendiensten kregen grotere bevoegdheden om toegang te krijgen tot persoonsgegevens en toezicht uit te oefenen. Europa koos met het Verdrag van Lissabon voor een ander paradigma en een beleid met meer respect voor de mensenrechten.

De privacy en het virus

COVID-19 is de Lovecraftiaanse dreiging die ons beloert vanuit het donker, die altijd ergens aanwezig is, maar die zich verstopt voor onze zintuigen. Het onzienbare is het ultieme gedrocht, vreeswekkender dan een Godzilla die als een eiland uit de zee oprijst.

In een poging de dreiging af te wenden, begon een experiment op planetaire schaal: 186 landen hebben op een of andere manier de mobiliteit van hun bevolking beperkt om te voorkomen dat gezondheidssystemen overbelast zouden worden, daarvan hebben 82 landen een lockdown doorgevoerd. Antoine Buyse, hoogleraar rechten van de mens aan Universiteit Utrecht, noteerde dat bestaande problemen met schendingen van grondrechten door corona-maatregelen werden versterkt. Buyse doelt op landen met autoritaire regimes of landen die zich in de rafelranden van Europa bevinden. Er werd bijvoorbeeld fake news-wetgeving ingevoerd om onrust en paniek te voorkomen, maar deze wetgeving werd dan gebruikt om censuur op te leggen. Buyse stelde vast dat mechanismen – checks and balances – die werden ingebouwd om controle uit te oefenen op regeringen, tijdens de pandemie averij hebben opgelopen. Het buitenspel zetten van een parlement wordt in deze landen noodzakelijk geacht om snel en efficiënt te kunnen handelen.

In België zindert het aantasten van de bewegingsvrijheid tijdens de lockdown na, vooral de inwoners van de Vlaamse woonzorgcentra (maar ook die van psychiatrisch verzorgingstehuizen) kregen het hard te verduren. In de provincie Antwerpen werd op 29 juli, voor de duur van vier weken, een avondklok ingesteld, die nog geen twee weken later werd versoepeld door toedoen van een hittegolf en in oktober terug werd ingevoerd, deze maal voor heel België.

Om de lockdown te handhaven werd gebruikgemaakt van technologie, zo werd(en):

  • (1) telecomdata gemonitord om het gemiddelde aantal verplaatsingen buiten de eigen gemeente te kunnen meten
  • (2) ANPR-camera’s ingezet om niet-essentiële verplaatsingen van automobilisten te kunnen sanctioneren
  • (3) een drone met warmtesensor ingezet om tweedeverblijvers in vakantieparken op te sporen en te sanctioneren

In (1) ging het om een initiatief van de data against corona taskforce onder impuls van de toenmalige Minister van Digitale Agenda en Privacy. De taakgroep werd bijgestaan door de Gegevensbeschermingsautoriteit die stelde dat er één rode lijn was: de privacy van burgers: “Potentieel impactvolle analyses die privacygevoelig zijn worden niet gedaan. Er worden enkel geanonimiseerde gegevens gebruikt. Geen enkel adres, telefoonnummer of naam wordt verwerkt. Er wordt over gewaakt dat de gegevens op geen enkele manier herleidbaar zijn naar een individu. Op het niveau van aggregatie die gebruikt wordt, is de burger volledig anoniem en zijn identiteit beschermd.”

Geval (2) laat zien hoe gemakkelijk de oorspronkelijke motivatie voor het implementeren van een technologie kan veranderen: de ANPR-camera’s kwamen er destijds onder het mom van de bestrijding van rondtrekkende criminele bendes en terroristen. Tijdens de lockdown werden er door de nummerplaatherkenning boetes uitgedeeld aan automobilisten die een verplaatsing niet konden verantwoorden. Drones (3) werden ook ingezet in Brussel en Limburg. In Frankrijk oordeelde de Raad van State dat het gebruik van drones in strijd is met de Europese regels voor gegevensbescherming.

Corona creëert een noodsituatie waarbij de regering regeert per ministerieel besluit. Het is momenteel moeilijk te beoordelen of al die maatregelen proportioneel zijn, per slot van rekening is het planetaire experiment zich nog aan het ontrollen. Soms geeft het de indruk dat bepaalde politiezones van de gelegenheid gebruik maken om eens te laten zien wat voor speelgoed ze in de kast hebben. Een duidelijke ¡no pasaran! moet er weerklinken voor politiediensten en mandatarissen die kliklijnen propageren. De geschiedenis heeft geleerd dat we dat soort toestanden niet wensen, maar wat het heden ons zal leren over drones en bulk-telecomdata; dat valt nog af te wachten.

Dries Everaerts

[1] Jan van Ruusbroec, 1293-138: tentoonstellingscatalogus, Koninklijke bibliotheek Albert I, 1981

[2] https://www.fbi.gov/contact-us/field-offices/portland/news/press-releases/tech-tuesdaysmart-tvs

[3] https://www.jstor.org/stable/1321160?seq=3#metadata_info_tab_contents

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *